Artikel 18,§1,11° van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde luidt als volgt :
§ 1. Als een dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit Wetboek.
Als een dienst wordt onder meer beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft :
(…)
11° het verschaffen van spijs en drank in restaurants en cafés en, meer algemeen, in omstandigheden voor het verbruik ter plaatse;
Met ander woorden: deze bepaling is de basis om het verkopen van voedingsmiddelen via de horeca niet als een verkoop van voedingsmiddelen, dan wel als het leveren van een dienst te beschouwen. Het gevolg daarvan is dat voor deze verkopen in ons land een BTW-tarief van 21 procent geldt. En daar moet verandering in komen.
Ik ga een aantal argumenten formuleren die discussies over dit dossier de nodige diepgang kunnen geven.
Het voorwerp van het contract.
Het qualificeren als dienst van de goederen die worden verkocht in het horecacircuit gebeurde op basis van volgende redenering : in de uiteindelijke eindverbruikersprijs zit meer loonkost dan grondstoffenkost, dus is het een dienst. Wat dan te zeggen van de traiteurdiensten? Of van een brood dat je bij de bakker koopt? Het feit dat een product met een hoge toegevoegde waarde wordt verkocht verandert de essentie van het contract niet. Het contract komt immers tot stand op het ogenblik dat je aan de ober een bestelling geeft. De klant bestelt geen ter beschikkingstelling van het personeel en ook niet de terbeschikkingstelling van het interieur. De klant bestelt een biefstuk of een koffie. De klant kan zijn contract met de horecauitbater niet verbreken omdat het personeel onvriendelijk was of het interieur niet netjes, hij kan dat wel indien het bestelde goed niet of niet correct (bv. bedorven of veel te laat) wordt geleverd. Het leveren van een ‘goed’ maakt het essentiële voorwerp uit van het contract, niet het leveren van een ‘dienst’.
Het feit dat er bij verkoop van voedingsmiddelen via de horecasector een hoge toegevoegde waarde tot stand komt doet niet terzake. Snijbloemen hebben ook een zeer hoge toegevoegde waarde in het laatste verkoopsstadium. In de consumentenprijs van een ruiker bloemen zitten meer service en randkosten dan grondstoffen. En toch werd de BTW op de verkoop van snijbloemen midden jaren ’90 zonder enige voorwaarde naar het verlaagde tarief van 6 procent gebracht. Een warme bakker levert ook een zeer hoge toegevoegde waarde op zijn grondstoffen. Een brood bestaat uit bloem, water, gist en een snuifje zout, de rest zijn bewerkingskosten. De horecasector wordt hier gediscrimineerd.
Voeding is voeding.
Het voorwerp van de horecaovereenkomst is dus de levering van een ‘goed’. Ongeacht door wie of op welke wijze dit goed wordt overgedragen van de leverancier aan de consument doet niet terzake, het blijft de levering van een goed. De levering van voeding wordt lager belast in het BTW-stelsel omdat voeding een invulling biedt van een primaire, levensnoodzakelijke behoefte. Als je het in de supermarkt kunt kopen aan 6 procent BTW, dan moet dat in de horeca ook. Een kreeft of kaviaar wordt in de supermarkt verkocht aan 21 procent gezien het “luxueuze” karakter ervan, dus moet dat in de horeca ook aan 21 procent. Hetzelfde voor een fles wijn of een trappist.
Kaviaar en kreeft zou ik persoonlijk zelf ook belasten aan 6 procent omdat het nu éénmaal dezelfde primaire behoefte invult. Bovendien is de tijd dat die zaken onbetaalbaar waren voor de ‘gewone man’ al lang voorbij.
Alcoholische dranken (meer dan 0,5 procent alcoholgehalte) vullen dan wel de primaire behoefte ‘dorst’ in, er valt echter wat te zeggen voor het hoge BTW tarief op alcohol. Alcohol is absoluut niet noodzakelijk om de dorst te lessen en maakt meer kapot dan je lief is bij overmatig gebruik…
Conclusie : Wat in de reguliere distributieketen wordt gekocht aan respectievelijk 6 of 21 procent BTW, moet in de horeca aan hetzelfde tarief.
Volgende keer meer.