Laat de erkende dienstenchequebedrijven ook echte ondernemingen zijn.
Terecht stellen Herwig Muyldermans van Federgon en Werner Van Heetvelde van ABVV-dienstencheques dat de rotte appelen uit de dienstenchequemand moeten. Een zwaar gesubsidieerd systeem oneigenlijk gebruiken om zichzelf buitensporig te verrijken kan niet door de beugel. Een wettelijk kader en de bijhorende normatieve regels, onontbeerlijk gezien het enorme overheidsbudget dat ervoor wordt uitgetrokken, hebben slechts zin indien er afdoende controles zijn. De belastingbetaler, de dienstenchequewerknemer, de klant noch de bonafide dienstenchequeondernemer hebben baat bij avonturiers die zich zonder scrupules een weg banen naar het eldorado van de RSZ-pot. Dus laat, zoals het Rekenhof dit vraagt in haar verslag van januari 2009, de controle vooral beter georganiseerd worden.
Denken dat daarmee het probleem is opgelost is echter utopisch. Tegelijk met het debat over de zoektocht naar duitenschavers, moet ook de marktplaats worden heraangelegd en gereorganiseerd. Want sommige marktkramers staan tot de knieën in de modder onder een tentjesbeschutting, terwijl anderen gratis mogen schuilen onder de luifel aan de inkom van het stadhuis en er schoenmakers vergeten bij hun leesten te blijven. En dan zwijgen we nog over de zijstraatjes die vol staan met koopmannen die geen marktgeld hoeven te betalen ondanks het meegenieten van clientèle dat zich massaal een weg baant naar de agora van de dienstencheques. De echte ondernemers in het circuit, zelfstandigen in eigen naam of handelsvennootschappen, strijden met ongelijke wapens. Daar moet dringend verandering in komen.
Erkende dienstenchequeondernemingen moeten de naam waardig zijn. Een gemeentelijke overheid, PWA-kantoor of OCMW, mag dan al diensten aanbieden aan de burger, het is géén onderneming. Een OCMW bijvoorbeeld, zal bij het inrichten van een dienstenchequeservice gebruik maken van gemeentelijke infrastructuur en personeel. De overhead wordt deels doorgeschoven naar de gemeentelijke belastingbetaler, eventuele verliezen ook. Ondernemen is geen ondernemen als er geen risico aanwezig is dat de ondernemer scherp houdt waardoor hij zijn beschikbaar geldelijk en menselijk kapitaal goed blijft beheren. De luifel van het gemeentehuis heeft een ander doel.
De uitzendbedrijven hebben bij de introductie keihard gelobbyd – we herinner ons levendig een interview op radio1 met toenmalig commercieel directeur van Creyf’s, Peter van Elst – om ook hun plaatsje op de markt te krijgen. Daarbij verlaten ze hun core-business. Uitzendbedrijven horen als intermediairen op de arbeidsmarkt diensten aan te bieden aan ondernemingen bij tijdelijke vermeerdering van werk, ter vervanging van afwezige werknemers of in het kader van seizoensgebonden activiteiten. Een onmisbare schakel in het toeleiden van menselijk kapitaal en potentieel naar ondernemers, dat wel. Maar actief de klanten van de eigen klanten bewerken en ontfutselen is niet netjes, zeker niet als je nog eens de marktwaar, in casu de potentiële dienstenchequewerknemer, tracht te monopoliseren. Uitzendbedrijven hoeven niet eens voorraadrisico te lopen, ze betalen hun leveranciers van arbeid enkel voor wat ze reeds met zekerheid hebben verkocht, daarbij handig gebruik makend van opeenvolgende dagcontracten. Ook hier wordt gebruik gemaakt van overlappende infrastructuur waardoor het risico wordt herleid tot nihil. De enige correcte plaats voor de uitzendsector in het dienstenchequeverhaal is deze waar ze personeel uitzenden naar erkende dienstenchequeondernemingen als deze laatste daar nood aan hebben. Zet deze schoenmakers weer aan het schoenlappen.
Tot slot zijn er nog de VZW’s. Waar met de kosten kan worden geschoven richting de bovenliggende structuur, verdwijnt alweer het risico. En in tegenstelling tot de onderneming hoeven de dienstenchequebedrijven zonder winstoogmerk niet dezelfde verantwoording afleggen aan de fiscale administratie. Ze betalen in de meeste gevallen evenmin provinciale belasting en worden vaak vrijgesteld van gemeentelijke taksen. Over het algemeen zijn deze VZW’s op één of andere manier verbonden met een ziekenfonds of ander zuilsegment. De tollenaar weet hen wel wonen, maar heeft geen wettelijke opdracht bij hen marktgeld te gaan innen.
De cijfers bevestigen het voorgaande. In juli 2007 voerde PricewaterhouseCoopers een studie uit naar de winstmarges in het dienstenchequecircuit. 3,99 euro/cheque voor de VZW’s, 3,80 euro/cheque voor de PWA’s, 2,02 euro/cheque voor de OCMW’s en de gemeenten, 0,64 euro/cheque voor de traditionele handelsondernemingen en zelfstandigen en 0,16 euro/cheque voor de uitzendkantoren. Dit laatste lage cijfer is waarschijnlijk te verklaren door het niet in rekening brengen door de interimbedrijven van de bijkomende financiering via ondermeer de structurele bijdrageverminderingen en zaken zoals ACTIVA-kaarten bij de kosten-batenanalyse. Deze bedragen komen rechtstreeks in de winstpot van de moeder terecht. De amper 3,5 procent bruto-winstmarge voor de echte ondernemingen is een mager beestje. Zeker als je weet dat deze ondernemers steevast af te rekenen hebben met personeel dat, eens het goed opgeleid werd in de schoot van de onderneming, bij de eerste de beste gelegenheid overstapt naar een OCMW omwille iets meer verlof of naar een VZW omwille van gratis vervoer. Als de zaakvoerder dan aan een interimkantoor vraagt om voor vervanging te zorgen, wordt hij of zij meestal wandelen gestuurd door de kantoormanager die zelf ook naarstig op zoek is naar schier onvindbaar personeel dat hij zelf als poetshulp kan slijten bij een gebruiker van dienstencheques.
Een erkenningstop zoals Werner van Heetvelde van ABVV-dienstencheques voorstelt, is een belemmering van het ondernemerschap in de sector. Dat daarmee het budget onder controle zou kunnen worden gehouden houdt geen steek. De druk op het overheidsbudget heeft enkel te maken met het aantal cheques dat wordt verkocht en de prijs waaraan ze worden verkocht. Een quotum-oligopolie zal enkel de stijgende vraag concentreren op een kleiner aantal aanbieders waardoor de geboden kwaliteit riskeert te dalen. Kwaliteit is tenslotte het enige waarmee een ondernemer op een markt met vastgelegde prijzen zich kan onderscheiden.
Winst maken hoort bij het ondernemerschap, ook voor de dienstenchequeondernemingen. De 35 miljoen euro brutowinst die in 2007 werd gemaakt door 96 ondernemingen met 20.000 personeelsleden wordt tenminste belast. De winsten die worden gemaakt door de pseudo-ondernemingen in het circuit zijn, hoewel veel hoger, niet terug te vinden in de jaarrekeningen bij de Nationale Bank en worden evenmin belast.
Niemand wil rotte appelen, laat ons daarom samen de mand uitkuisen en de beunhazen eruit flikkeren. Maar laat erkende dienstenchequeondernemingen ook echte ondernemingen zijn en de oneerlijke concurrentie in het circuit aanpakken. Zo kunnen we het initiële doel van de dienstencheques respecteren: het op kwalitatieve wijze aanbieden van diensten in het kader van huishoudelijke hulp om hardwerkende tweeverdieners betaalbare onthaastingskansen te bieden, waarbij een deel zwarte economie wordt omgezet in duurzame jobs die voornamelijk minder geschoolden ten goede komen.
Chris Dobbelaere,
Katty Carion, bestuurslid LDD Geraardsbergen, Zaakvoerder erkende dienstenchequeonderneming BVBA Domocura.
Marc Eggermont, Voorzitter LDD Merelbeke, erkend dienstenchequeondernemer Markat Service.
Geplaatst door chrisis1969 