Dienstencheques. Deel 6, een opinie.

augustus 8, 2009

Laat de erkende dienstenchequebedrijven ook echte ondernemingen zijn.

Terecht stellen Herwig Muyldermans van Federgon en Werner Van Heetvelde van ABVV-dienstencheques dat de rotte appelen uit de dienstenchequemand moeten. Een zwaar gesubsidieerd systeem oneigenlijk gebruiken om zichzelf buitensporig te verrijken kan niet door de beugel. Een wettelijk kader en de bijhorende normatieve regels, onontbeerlijk gezien het enorme overheidsbudget dat ervoor wordt uitgetrokken, hebben slechts zin indien er afdoende controles zijn. De belastingbetaler, de dienstenchequewerknemer, de klant noch de bonafide dienstenchequeondernemer hebben baat bij avonturiers die zich zonder scrupules een weg banen naar het eldorado van de RSZ-pot. Dus laat, zoals het Rekenhof dit vraagt in haar verslag van januari 2009, de controle vooral beter georganiseerd worden.

Denken dat daarmee het probleem is opgelost is echter utopisch. Tegelijk met het debat over de zoektocht naar duitenschavers, moet ook de marktplaats worden heraangelegd en gereorganiseerd. Want sommige marktkramers staan tot de knieën in de modder onder een tentjesbeschutting, terwijl anderen gratis mogen schuilen onder de luifel aan de inkom van het stadhuis en er schoenmakers vergeten bij hun leesten te blijven. En dan zwijgen we nog over de zijstraatjes die vol staan met koopmannen die geen marktgeld hoeven te betalen ondanks het meegenieten van clientèle dat zich massaal een weg baant naar de agora van de dienstencheques. De echte ondernemers in het circuit, zelfstandigen in eigen naam of handelsvennootschappen, strijden met ongelijke wapens. Daar moet dringend verandering in komen.

Erkende dienstenchequeondernemingen moeten de naam waardig zijn. Een gemeentelijke overheid, PWA-kantoor of OCMW, mag dan al diensten aanbieden aan de burger, het is géén onderneming. Een OCMW bijvoorbeeld, zal bij het inrichten van een dienstenchequeservice gebruik maken van gemeentelijke infrastructuur en personeel. De overhead wordt deels doorgeschoven naar de gemeentelijke belastingbetaler, eventuele verliezen ook. Ondernemen is geen ondernemen als er geen risico aanwezig is dat de ondernemer scherp houdt waardoor hij zijn beschikbaar geldelijk en menselijk kapitaal goed blijft beheren. De luifel van het gemeentehuis heeft een ander doel.

De uitzendbedrijven hebben bij de introductie keihard gelobbyd – we herinner ons levendig een interview op radio1 met toenmalig commercieel directeur van Creyf’s, Peter van Elst – om ook hun plaatsje op de markt te krijgen. Daarbij verlaten ze hun core-business. Uitzendbedrijven horen als intermediairen op de arbeidsmarkt diensten aan te bieden aan ondernemingen bij tijdelijke vermeerdering van werk, ter vervanging van afwezige werknemers of in het kader van seizoensgebonden activiteiten. Een onmisbare schakel in het toeleiden van menselijk kapitaal en potentieel naar ondernemers, dat wel. Maar actief de klanten van de eigen klanten bewerken en ontfutselen is niet netjes, zeker niet als je nog eens de marktwaar, in casu de potentiële dienstenchequewerknemer, tracht te monopoliseren. Uitzendbedrijven hoeven niet eens voorraadrisico te lopen, ze betalen hun leveranciers van arbeid enkel voor wat ze reeds met zekerheid hebben verkocht, daarbij handig gebruik makend van opeenvolgende dagcontracten. Ook hier wordt gebruik gemaakt van overlappende infrastructuur waardoor het risico wordt herleid tot nihil. De enige correcte plaats voor de uitzendsector in het dienstenchequeverhaal is deze waar ze personeel uitzenden naar erkende dienstenchequeondernemingen als deze laatste daar nood aan hebben. Zet deze schoenmakers weer aan het schoenlappen.

Tot slot zijn er nog de VZW’s. Waar met de kosten kan worden geschoven richting de bovenliggende structuur, verdwijnt alweer het risico. En in tegenstelling tot de onderneming hoeven de dienstenchequebedrijven zonder winstoogmerk niet dezelfde verantwoording afleggen aan de fiscale administratie. Ze betalen in de meeste gevallen evenmin provinciale belasting en worden vaak vrijgesteld van gemeentelijke taksen. Over het algemeen zijn deze VZW’s op één of andere manier verbonden met een ziekenfonds of ander zuilsegment. De tollenaar weet hen wel wonen, maar heeft geen wettelijke opdracht bij hen marktgeld te gaan innen.

De cijfers bevestigen het voorgaande. In juli 2007 voerde PricewaterhouseCoopers een studie uit naar de winstmarges in het dienstenchequecircuit. 3,99 euro/cheque voor de VZW’s, 3,80 euro/cheque voor de PWA’s, 2,02 euro/cheque voor de OCMW’s en de gemeenten, 0,64 euro/cheque voor de traditionele handelsondernemingen en zelfstandigen en 0,16 euro/cheque voor de uitzendkantoren. Dit laatste lage cijfer is waarschijnlijk te verklaren door het niet in rekening brengen door de interimbedrijven van de bijkomende financiering via ondermeer de structurele bijdrageverminderingen en zaken zoals ACTIVA-kaarten bij de kosten-batenanalyse. Deze bedragen komen rechtstreeks in de winstpot van de moeder terecht. De amper 3,5 procent bruto-winstmarge voor de echte ondernemingen is een mager beestje. Zeker als je weet dat deze ondernemers steevast af te rekenen hebben met personeel dat, eens het goed opgeleid werd in de schoot van de onderneming, bij de eerste de beste gelegenheid overstapt naar een OCMW omwille iets meer verlof of naar een VZW omwille van gratis vervoer. Als de zaakvoerder dan aan een interimkantoor vraagt om voor vervanging te zorgen, wordt hij of zij meestal wandelen gestuurd door de kantoormanager die zelf ook naarstig op zoek is naar schier onvindbaar personeel dat hij zelf als poetshulp kan slijten bij een gebruiker van dienstencheques.

Een erkenningstop zoals Werner van Heetvelde van ABVV-dienstencheques voorstelt, is een belemmering van het ondernemerschap in de sector. Dat daarmee het budget onder controle zou kunnen worden gehouden houdt geen steek. De druk op het overheidsbudget heeft enkel te maken met het aantal cheques dat wordt verkocht en de prijs waaraan ze worden verkocht. Een quotum-oligopolie zal enkel de stijgende vraag concentreren op een kleiner aantal aanbieders waardoor de geboden kwaliteit riskeert te dalen. Kwaliteit is tenslotte het enige waarmee een ondernemer op een markt met vastgelegde prijzen zich kan onderscheiden.

Winst maken hoort bij het ondernemerschap, ook voor de dienstenchequeondernemingen. De 35 miljoen euro brutowinst die in 2007 werd gemaakt door 96 ondernemingen met 20.000 personeelsleden wordt tenminste belast. De winsten die worden gemaakt door de pseudo-ondernemingen in het circuit zijn, hoewel veel hoger, niet terug te vinden in de jaarrekeningen bij de Nationale Bank en worden evenmin belast.

Niemand wil rotte appelen, laat ons daarom samen de mand uitkuisen en de beunhazen eruit flikkeren. Maar laat erkende dienstenchequeondernemingen ook echte ondernemingen zijn en de oneerlijke concurrentie in het circuit aanpakken.  Zo kunnen we het initiële doel van de dienstencheques respecteren: het op kwalitatieve wijze aanbieden van diensten in het kader van huishoudelijke hulp om hardwerkende tweeverdieners betaalbare onthaastingskansen te bieden, waarbij een deel zwarte economie wordt omgezet in duurzame jobs die voornamelijk minder geschoolden ten goede komen. 

Chris Dobbelaere,

Katty Carion, bestuurslid LDD Geraardsbergen, Zaakvoerder erkende dienstenchequeonderneming BVBA Domocura.

Marc Eggermont, Voorzitter LDD Merelbeke, erkend dienstenchequeondernemer Markat Service.


Dienstencheques. Deel 5

juli 29, 2009

Deel 5: Een summiere kosten-batenanalyse.

(Vanaf nu is het gedaan met les geven in basics, ik ventileer meer mening, vandaar de overstap van ‘Les’ 4 naar ‘Deel’ 5) 

Het systeem van de dienstencheques was in 2008 goed voor ongeveer 41.000 voltijdsequivalente arbeidsplaatsen. Aangezien er veel deeltijdse werknemers in het systeem werkzaam zijn mogen we rekenen op ongeveer 68.000 jobs, aan een gemiddelde 3/5e jobtime.

Er werd door alle dienstenchequeondernemingen samen in 2008 een omzet gerealiseerd van 1,355 miljard. Daarvan werd 342 miljoen netto gedragen door de gebruikers, 147 miljoen door de fiscus en 866 miljoen door de RSZ. Daarbij komt nog een administratiekost ten laste van de RSZ van ongeveer 12 miljoen euro.

De directe kosten (ruim een miljard gedragen door de overheid) zijn min of meer gekend, maar de reële baten zijn veel moeilijker te berekenen. We moeten daarbij immers nog rekening houden met de bijkomende indirecte kosten (opbouw van pensioenrechten, ziekte- en invaliditeitsuitkeringen, kinderbijslag,…), de minderuitgaven aan werkloosheidsuitkeringen en leeflonen, de terugverdieneffecten die voortkomen uit de sociale zekerheidsbijdrage die de werknemers en werkgevers in het dienstenchequecircuit opbrengen voor de RSZ en de meerinkomsten voor de fiscus via de personenbelasting op de lonen van de dienstenchequewerknemers. Op vraag van de FOD WASO (Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg) wordt geregeld een studie besteld om het systeem te evalueren. De laatste studie daarover vind je hier. (Ik dank WordPress voor het eenvoudig maken van linken!) Het financiële plaatje begint op pagina 112. Het gaat hier wel over cijfers van 2007, dus mag je de netto-kostprijs die daar vermeld staat ongeveer vermenigvuldigen met 1,5 om de prognose van 2009 te maken.

Na het lezen met kritische blik van de studie en ander beschikbaar materiaal, kom ík tot het besluit dat het dienstenchequesysteem eigenlijk een inkomensherverdeling inhoudt van arm naar rijk, het systeem maakt de kloof tussen arm en rijk dus gemiddeld… groter. Er worden immers collectieve middelen ingezet om de gebruikers (meestal goede verdieners) te voorzien van kunstmatig goedkope arbeidskrachten die op hun beurt hun besteedbaar inkomen globaal zien dalen. Het zwartwerk werd in de meeste gevallen gecombineerd met een vervangingsinkomen. Een uitkeringsgerechtigde kon makkelijk 900 euro werkloosheidsuitkering combineren met 500 euro strijkwerk per maand. Wie nu full-time aan het de plank in de strijkcentrale staat ziet amper 1150 euro op de rekening verschijnen op het einde van de maand. Cru, ik weet het, maar feiten zijn feiten. Dit wil echter niet zeggen dat ik zwartwerk verdedig, integendeel. Ik wil daarover wel eens stevig debatteren, want ik geloof rotsvast in het principe dat de gebruiker hoort te betalen wat hij wil nuttigen. Want gratis bestaat niet.

Voor alle duidelijkheid : goede verdieners mogen wat mij betreft goed beloond worden voor hun inspanningen, maar het moet op de juiste manier (bv. vlaktaks) en niet met lapmiddeltjes (bv. dienstencheques)

Volgende keer : oneerlijke concurrentie.


Dienstencheques. Les 4

juli 28, 2009

Les 4: Wie doet mee?

Volgens de statistieken van RVA waren er in 2008 772.460 geregistreerde gebruikers die via 2.130 erkende dienstenchequeondernemingen gebruik maakten van 65.154.366 dienstencheques. De gebruikers kochten bij Sodexho evenwel 73.596.906 dienstencheques aan. Dat immense verschil van 11,5 procent tussen aangekocht en gebruikt is grotendeels te verklaren door de massale bestellingen die werden geplaatst bij Sodexho in het licht van de prijsverhoging van 7,20 euro naar 7,50 euro op 1 januari 2009. De gebruikers legden grote voorraden aan tegen de oude prijs, de cheques blijven immers 8 maand geldig. Investeren in dienstencheques waarvan de gebruiker zeker was ze te zullen inleveren bracht meer op dan het spaarboekje.

De gebruikers zijn steeds particuliere huishoudens, de gezinnen dus. Een bedrijf, zelfstandige of vrij beroep mag geen gebruik maken van het systeem, zij moeten terecht bij de gewone schoonmaakbedrijven, of zelf personeel in dienst nemen om dezelfde taken te laten uitvoeren. De poetshulp via dienstencheques mag wel de privévertrekken van een advocaat  netjes houden, zijn kantoren stofvrij houden mag niet.

Bij de ondernemingen zijn er 4 hoofdcategorieën te onderscheiden:

  • De volledig autonome onderneming (Een rechtspersoon of zelfstandige met winstgevend doel);
  • De wat ik gemakkelijkheidshalve de “vzw-ondernemingen” noem, zoals Familiehulp, Solidariteit voor het Gezin, Partena en andere initiatieven zonder winstoogmerk ;
  • De gemeentelijke dienstenchequeondernemingen zoals omgebouwde PWA’s en gemeentelijk OCMW’s;
  • De uitzendbedrijven.

Iedere natuurlijke of rechtspersoon die een zelfstandige activiteit mag uitoefenen mag tevens een erkenning als dienstenchequeonderneming aanvragen. U dus ook. Ik raad het niemand aan, ik raad het evenmin iemand af. Wie ondernemer wil worden hou ik niet tegen, maar besef dat er aan ondernemerschap naast voordelen ook risico’s zijn verbonden. Ik wil wel meegeven dat het als dienstenchequeondernemer met winstgevend doel even hard knokken is als pakweg voor een bakker, kruidenier, stukadoor of huisarts. Als onafhankelijk dienstenchequeondernemer stap je in een groeimarkt waar je met ongelijke wapens moet strijden tegen de drie andere categorieën. Zolang de markt van de dienstencheques groeit is er geen vuiltje aan de lucht, maar eens deze markt stagneert gaat er ondernemersbloed vloeien. Wie zich ongeduldig afvraagt waarom dat zo is mag mij steeds de vraag stellen, maar denk zelf eerst eens goed na…


Dienstencheques. Les 3

juli 28, 2009

Les 3: ’t Zijn solden in Poets- en Strijkland!

Het dienstenchequecircuit wordt dus als volgt gefinancierd:

  • 5,25 euro door de gebruiker;
  • 2,25 euro door DIDIER;
  • 13,30 euro door RVA.

20,80 euro is de totale loonlast van een officiële poets- of strijkhulp, met inbegrip van een bescheiden, maar broodnodige, winstmarge voor de erkende dienstenchequeonderneming. De gebruiker betaalt echter netto slechts 5,25 euro. 74 procent korting op de werkelijke prijs, zelfs in de soldenperiode moet je al hard je best doen om beter te krijgen bij aankoop van een paar schoenen of een nieuw fauteuil!

Triestig om te zien hoe de overheid eigenlijk geringschattend handelt als het gaat over de waardering van de arbeid van laaggeschoolden. We geven, dankzij de dienstencheques, een collectief signaal aan onze poetshulpen, namelijk het signaal dat we voor hun werk niet meer willen betalen dan 5,25 euro per uur… Solden!


Dienstencheques. Les 2

juli 28, 2009

Les 2: De werking van dienstencheques.

Er zijn 6 betrokken partijen :

  1. De gebruiker;
  2. De dienstenchequewerknemer (DWN);
  3. De dienstenchequewerkgever, ook wel ‘Erkende Dienstenchequeonderneming” (EDO);
  4. Het uitgiftebedrijf, nu Sodexho voorheen Accor (SOD);
  5. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA);
  6. De Fiscus (DIDIER).

De gebruiker koopt bij SOD dienstencheques aan voor de prijs van 7,50 euro per stuk. SOD stuurt de dienstencheques naar de gebruiker en ontvangt dus 7,5 euro of een veelvoud daarvan van de gebruiker.

De gebruiker vraagt aan EDO een DWN te sturen en betaalt daarvoor EDO met 1 dienstencheque per uur dat DWN presteert bij de gebruiker.

EDO heeft DWN aangeworven met een arbeidscontract en betaalt het loon en de loonlasten alsof het een reguliere werknemer was. Dus met inbegrip van netto-loon, bedrijfsvoorheffing, werknemersbijdrage, werkgeversbijdrage, arbeidsongevallenverzekering,… De DWN geniet een volwaardig werknemersstatuut als arbeider of uitzendkracht, met inbegrip van de sociale rechten zoals ziekteverzekering, pensioenrechten, kinderbijslag, jaarlijkse vakantie,…

EDO stuurt de dienstencheques op naar SOD, en SOD betaalt voor iedere dienstencheque aan EDO 20,80 euro.

Het verschil tussen de 20,80 euro die wordt betaald aan EDO en de 7,50 euro die werd ontvangen van de gebruiker (13,30 euro) wordt aan SOD bijgepast door RVA. (SOD krijgt voor het uitgeven en de verwerking van de dienstencheques een kleine vergoeding per cheque. Deze vergoeding is afgesproken via een aanbestedingsprocedure. Dat is ook de reden waardoor Accor het uitgiftecontract heeft verloren aan Sodexho, maar dat kan binnen drie jaar weer veranderen.)

Jaarlijks stuurt SOD naar de gebruiker een fiscaal attest met daarop het aantal aangekochte dienstencheques. De gebruiker krijgt bij zijn belastingsaangifte 30 procent van de aankoopprijs, zijnde 2,25 euro per dienstencheque, terug van DIDIER.

De cirkel is rond.

Er zijn een aantal beperking op het soort arbeid dat met dienstencheques mag betaald worden, en er zijn ook voorwaarden gesteld aan de erkenning als dienstenchequeonderneming. Meer daarover vind je op de officiële site. Ik beperk mij tot de grote lijnen en tot het antwoorden op specifieke vragen als je zelf het antwoord niet vindt op de site.


Dienstencheques? Les 1

juli 28, 2009

Ik krijg steeds vaker de vraag hoe het dienstenchequesysteem in mekaar steekt. Het is geen schande om iets niet te weten, maar als dat gebrek aan kennis steevast leidt tot ‘cowboy’-verhalen of zelfs stigmatisatie van de betrokkenen, vind ik het mijn plicht even de puntjes op de i te zetten. In casu kan ik dit enkel door eerst het systeem beknopt maar correct uit te leggen. De correctheid van de informatie is verzekerd door de bron http://www.dienstencheques.be/, de toegevoegde meningen en filosofische zijsprongen neem ik compleet voor eigen rekening. Als je in mijn tekst clichés ontdekt, wees er dan van bewust dat dit puur exemplatieve karikaturen zijn en dat ik daarmee geen enkele bevolkingsgroep of etnische minderheid in onze samenleving met de vinger wil wijzen.

Laat ons niet vergeten dat er een hoop geld gemoeid is met dienstencheques, meer dan 1,3 miljard euro in 2008. Dus een beetje informatie en debat hierover kan geen kwaad.

Les 1: Het ontstaan.

De dienstencheques zijn, net als de maaltijdcheques, destijds overgewaaid van bij onze zuiderburen. De paarse regering was op zoek naar een middel om het huishoudelijke zwartwerk tegen te gaan. En de uitzendsector was vragende partij om het Franse voorbeeld van de Cheque Emploi Services Universel te volgen. Het was immers publiek geheim dat er tot in het kleinste boerengat van ons land gezinnen waren die, op zoek naar ‘quality-time’ en onthaasting voor zichzelf, hun parket lieten boenen door een Russisch asielzoeker, hun strijkplank bevrouwden met een Poolse jongedame of de keuken lieten dweilen door de Vlaamse Mariette – vroeger aan een naaimachine, maar sedert de teloorgang van de textielindustrie in onze contreien, langdurig werkloos – en dat deze overwegend tweeverdieners dit betaalden in de favoriete kleur van de Belgische eurobiljetten, jawel, black is beautiful, maar vooral goedkoper. Het combineren van een betaalbare huishoudelijke hulp om de afgepeigerde wroeters te laten thuiskomen in een propere woning enerzijds en anderzijds het ‘witten’ van de zwarte bijverdiensten waardoor de poetsvrouwen en -mannen ook sociale rechten opbouwen, is een nobele doelstelling. We kunnen daar een eerste conclusie uittrekken : arbeid onbetaalbaar maken door er hoge lasten op te leggen zorgt ervoor dat je als overheid op de lange duur helemaal geen lasten meer int omdat je de arbeid niet meer verkocht krijgt. Iedereen doet dan namelijk de job die hij wil uitbesteden zèlf of zoekt er een zwartwerker voor.

Er bestond, en bestaat nog steeds, wel zoiets als PWA, maar dat was naar aloude Belgische traditie een verschrikkelijk complex en beperkend systeem. Er was bovendien dermate veel papierwinkel mee gemoeid dat je als gebruiker figuurlijk meer werk had met het opvragen en invullen van attestjes dan wat de PWA’er je uit handen nam. Huishoudelijke hulp gebruiken is bovendien slechts mogelijk onder zeer strikte voorwaarden. Dienstencheques daarentegen is een zeer eenvoudig en rechtlijnig instrument om een directe consumentensubsidiëring in het leven te roepen. Op die manier krijg je de ondersteuning zonder al te veel poespas direct waar ze hoort en kan je toch de vrije markt laten spelen.

Een goed idee dus, maar overbodig mocht arbeid gewoon betaalbaar zijn. Ikzelf zie dienstencheques als een ideaal overgangsmiddel voor het rechttrekken van een scheve situatie. Het is, zoals zoveel zaken, in het leven geroepen om als het goed werkt zichzelf opnieuw overbodig te maken.


Follow

Get every new post delivered to your Inbox.